Elke schooldag zitten in Nederland duizenden kinderen in de klas die het bord niet goed kunnen zien. Ze hebben een bril nodig, maar hun ouders hebben het geld er niet voor. In een welvarend land dat onderwijs en gelijke kansen hoog in het vaandel heeft staan, is dat een duizelingwekkende constatering én een fundamenteel probleem.
Uit recent onderzoek van Amsterdam UMC en VISION 2020 Netherlands blijkt hoe groot dat probleem eigenlijk is. Naar schatting hebben ongeveer 634.000 kinderen in Nederland een bril nodig. Voor alle ouders is dit een hoge kostenpost, maar voor zo’n 64.000 kinderen kan er door geldzorgen helemaal geen bril aangeschaft worden. Stel je een overvol voetbalstadion voor met kinderen die de wedstrijd niet kunnen volgen. Zij bevinden zich in gezinnen onder de armoedegrens en net daarboven. De groep werkende armen is namelijk te arm om de kosten te dragen, maar te ‘rijk’ om vanzelfsprekend in aanmerking te komen voor hulp.
Goed zicht is een basisvoorwaarde om te kunnen leren. Lezen van het bord, werken met boeken en schermen, concentreren in de klas. Het veronderstelt allemaal dat je scherp ziet. Als dat niet zo is ontstaan achterstanden die niets te maken hebben met motivatie of talent. Kinderen die niet goed zien presteren aantoonbaar slechter op school en lopen meer risico om blijvend achter te raken. Dat is niet alleen schadelijk voor henzelf, maar ook voor onze samenleving als geheel.
Toch is oogzorg voor kinderen in Nederland maar beperkt geregeld. Screening stopt vaak op jonge leeftijd, terwijl zichtproblemen zich juist later kunnen ontwikkelen of verergeren. Bovendien valt een bril niet onder het basispakket van de zorgverzekering, alleen in uitzonderlijke gevallen zoals een hele sterke brilafwijking vanaf min zes of plus tien of een ernstige oogaandoening. Ouders zijn aangewezen op eigen middelen en aanvullende verzekeringen, die slechts een gedeelte vergoeden. Maar kinderen groeien en spelen. Zij hebben vaker een nieuwe bril nodig dan volwassenen. Voor gezinnen met lage inkomens vormen die kosten een hele reële drempel. Uit onderzoek van Amsterdam UMC en VISION 2020 Netherlands blijkt dat 26,5 procent van deze gezinnen de aanschaf van een bril uitstelt of er zelfs van afziet, simpelweg omdat het financieel niet lukt. Kinderhulp leest in aanvragen over kinderen met niet passende en aan elkaar geplakte brillen. Maar ook langdurige klachten, zoals als hoofdpijn en vermoeidheid.
Het gevolg is dat de toegankelijkheid van kinderbrillen onder druk staat. Bestaande vangnetten zijn niet altijd toegankelijk of toereikend, waardoor ondersteuning voor veel gezinnen vooral afhankelijk is van noodhulp en liefdadigheid. Nationaal Fonds Kinderhulp helpt jaarlijks tienduizenden kinderen met basisvoorzieningen, waaronder brillen. Dat werk is onmisbaar, maar het mag geen structurele oplossing zijn voor een probleem dat zo direct raakt aan gezondheid en onderwijs voor alle kinderen.
Het idee dat structurele oogzorg voor kinderen vooral geld kost, houdt bovendien geen stand. Onderzoek van de Hogeschool Utrecht laat zien dat het kosteloos verstrekken van kinderbrillen economisch zeer rendabel is. Elke euro investering levert minimaal drie euro maatschappelijke opbrengst op, doordat kinderen minder vaak blijven zitten en eerder de arbeidsmarkt betreden. Dit beeld wordt bevestigd door internationale studies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die aantonen dat screening in combinatie met gratis of laagdrempelig toegankelijke brillen zeer kosteneffectief is. Investeren in goed zicht is dus geen kostenpost, maar verstandig sociaaleconomisch beleid. Dat de overheid hier verantwoordelijkheid draagt, is niet alleen logisch, maar ook vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag. Wanneer een bril nodig is voor de ontwikkeling en gezondheid van een kind en ouders deze niet kunnen bekostigen, valt die onder de verantwoordelijkheid van de overheid. Toegang tot goed zicht mag geen kwestie zijn van inkomen of toevallige hulp.
Het opnemen van kinderbrillen in het basispakket is daarom een noodzakelijke stap. Niet als luxe, maar als basisvoorziening. Naast de bekostiging is goede toegankelijke screening en follow up na de screening minstens zo essentieel als het bekostigingsvraagstuk. De dynamiek is daar vaak anders als financiële middelen ontbreken, ouders staan in de overleefstand en gaan ervan uit dat de bril niet voor hen toegankelijk is of het lukt ze niet om de drempels over te gaan om tot de bril te komen. Denk bijvoorbeeld aan het maken van een afspraak voor een oogmeting.
We zouden het niet normaal moeten vinden dat we kinderen naar school sturen om te leren lezen terwijl zij niet goed kunnen zien. Door kinderbrillen structureel toegankelijk te maken zowel financieel als door goede screening, investeren we in onderwijs, gezondheid én toekomstkansen. Dat is geen gunst, maar een verantwoordelijkheid die voortvloeit uit wat we kinderen beloven. Zij zijn de generatie van de toekomst.
Ruth van Nispen is hoogleraar bij Amsterdam UMC en voorzitter van VISION 2020 Netherlands
Bernique Tool is directeur-bestuurder van het Nationaal Fonds Kinderhulp