Hoe beleef je de zomervakantie als je opgroeit in armoede? Één van onze jongerenambassadeurs deelt in deze anonieme column haar herinneringen aan de zomervakantie en hoe die haar zijn bijgebleven.
Als ik terugdenk aan de zomervakantie van vroeger, denk ik niet meteen aan verre landen, zwembaden of campings in Frankrijk. Ik denk aan buiten spelen in de buurt. Aan dagen die eindeloos leken te duren doordat het zo lang licht bleef buiten. Aan kinderen uit de straat die aanbellen met de vraag of je buiten kwam spelen. En aan waterijsjes. Van die lange plastic sticks die je eerst in de vriezer moest leggen en daarna uit elkaar moest knippen. Simpel, maar voor mij hoorde dat echt bij de zomer.
De zomervakantie was een periode zonder verplichtingen. Geen school, geen wekker, geen haast. Dat vond ik fijn. Tegelijkertijd konden zes weken ook best lang duren als er weinig op de planning stond. Waar andere kinderen op vakantie gingen, bleef ik vooral thuis en speelde ik buiten in de buurt. Als er iemand uit de straat wel op vakantie ging, vond ik dat stiekem jammer. Dan miste er iemand in mijn kleine zomerwereld. Gelukkig waren er meestal genoeg andere kinderen om mee te spelen.
Een uitje voelde daardoor extra bijzonder. Een dagje weg, bijvoorbeeld naar een pretpark, was niet zomaar iets. Mijn ouders konden het mij ook beter niet dagen van tevoren vertellen, want dan sliep ik niet meer van de spanning. Dat zegt misschien wel genoeg.
"Als er niet veel gebeurt, wordt iets kleins ineens heel groot"
Toch kijk ik niet negatief terug op mijn zomervakanties. Er waren fijne momenten, vrijheid en veel buitenlucht. Maar het moeilijkste moment kwam vaak pas ná de vakantie: de eerste schooldag. Dan wist ik dat klasgenoten zouden vertellen over waar ze allemaal waren geweest. Over landen, hotels, campings, zwembaden en uitstapjes. En ik was niet verder gekomen dan drie straten verderop, met misschien één keer een pretpark.
Ik vond dat spannend. Soms verzon ik dat ik naar drie pretparken en twee dierentuinen was geweest. Niet omdat ik graag wilde liegen, maar omdat ik minder wilde opvallen. Ik was bang om anders te zijn. Bang dat ik als eerste iets moest vertellen, zonder eerst te kunnen horen wat de rest zei. Als anderen grote verhalen hadden, ging ik daarin mee.
Dat gevoel, dat je jezelf anders moet voordoen om erbij te horen, gun ik niemand. Geen kind zou zich met buikpijn zorgen moeten maken over de eerste schooldag, omdat de vraag komt: ‘En, wat heb jij gedaan deze vakantie?’